Psychoanalytisch Woordenboek

Karl Abraham (1877-1925). Freuds rots in de branding.

Jaren geleden kreeg ik een mooi gebonden boekje met een rode kaft cadeau met daarin de briefwisseling tussen Sigmund Freud en Karl Abraham. Het was een ingekorte versie, de volledige uitgave van de brieven zou pas enkele jaren later verschijnen. Het boek was uitgegeven onder redactie van Hilda Abraham, de dochter van Karl Abraham en Ernst Freud, de zoon van Sigmund Freud. Ik wist op dat moment weinig van Karl Abraham. Bij mijn opleiding tot psychoanalytica had ik een keer een artikel van hem moeten lezen. Ik wist alleen dat hij een analyticus was uit de beginfase van de psychoanalyse. Dat hij lid was geweest van een geheim comité rondom Freud was mij op dat moment onbekend.

Ik las het boek en was zeer verrast. Ik kende Freuds prachtige schrijfstijl, maar Abraham bleek ook een mooi helder taalgebruik te hebben en veel gevoel voor humor. De verrassing zat echter vooral in de omgang van Abraham met Freud. Hij was duidelijk zeer op Freud gesteld, had grote bewondering voor hem maar hij bleef in de omgang met Freud volstrekt zichzelf. Hij had niets van de onderdanigheid of kruiperigheid waar Freud soms mee omringd werd. De briefwisseling kende vele verwikkelingen en ook grote meningsverschillen. Abraham liet zich soms door Freud overtuigen maar hield op andere momenten met vriendelijke en beleefde uitleg, zonder een duimbreed te wijken, vast aan zijn standpunt. Bij Freud waren de vriendelijkheid en beleefdheid nog weleens ver te zoeken, maar hij was duidelijk gesteld op Abraham.

Het voorwoord van het boek was geschreven door Edward Glover. Een bekende naam in de Britse psychoanalytische wereld. Glover was in 1920 in analyse geweest bij Abraham.

Ik was door de briefwisseling nieuwsgierig geworden naar wie deze Karl Abraham was en welke plaats hij had ingenomen in de psychoanalytische wereld. Ik ging op zoek naar artikelen en boeken en vond bedroevend weinig. Zijn verzameld werk was uitgegeven. Er was een gedeeltelijke biografie geschreven door zijn dochter. Er waren wat artikelen, hij werd her en der aangehaald. Zijn werk werd weinig besproken. Hij werd vooral aangehaald in verband met een aantal grote conflicten die zich hadden voorgedaan in de geschiedenis van de psychoanalyse.

Ik besloot om mij verder te gaan verdiepen in Karl Abraham en een boek over hem te schrijven. Dat boek werd een biografie over leven en werk.

Terwijl ik met het onderzoek bezig was, nam de afgelopen jaren de belangstelling voor Karl Abraham met name in Duitsland sterk toe. Er werd regelmatig over hem gepubliceerd en dat was een welkome aanvulling om een scherper beeld van hem te krijgen voor de biografie. Toch is het merendeel van zijn werk nog steeds onbesproken.

Het geheime comité

Freud is zo beroemd geworden dat zijn directe collega’s, die samen met hem de psychoanalyse groot hebben gemaakt, soms helemaal weggevallen lijken te zijn. Alsof er alleen Freud was. Toch begon Freud (1856-1939) pas vrij laat in zijn leven, toen hij de vijftig al was gepasseerd, bekendheid te genieten en het zou nog langer duren voor hij beroemd werd. Aan de bekendheid en latere beroemdheid van Freud en de psychoanalyse hebben een aantal collega’s sterk bijgedragen. Daar was één leeftijdgenoot van Freud bij, Eugen Bleuler (1857-1939). Eugen Bleuler was directeur van de Burghölzli-kliniek in Zürich en hij was één van de meest gerenommeerde en bekendste psychiaters van zijn tijd. Hij raakte geïnteresseerd in de psychoanalyse en gaf zijn jonge arts-assistent Carl Gustav Jung opdracht Freuds Traumdeutung te lezen en te bespreken. Jung (1875-1961) vond er aanvankelijk niet veel aan, maar raakte op den duur toch geboeid en werd een enthousiasmerend voorvechter van de psychoanalyse en van Freud.

Via Bleuler, Jung en de Burghölzli-kliniek kwamen een aantal jonge artsen met de psychoanalyse in aanraking, die samen met Freud de psychoanalyse een enorme stimulans zouden geven. De jonge artsen waren Karl Abraham uit Berlijn, Sándor Ferenczi uit Boedapest en Ernest Jones uit Londen. Vanaf 1912 vormden zij samen met de twee Weners Hans Sachs en Otto Rank het ‘geheime comité’. Het geheime comité bepaalde in de daarop volgende veertien jaar samen met Freud de ontwikkeling van de psychoanalytische beweging.

Het was een ongelooflijke creatieve en productieve groep, die voortdurend in contact stond met elkaar en met Freud. Ze hebben een stroom van wetenschappelijke artikelen en boeken voortgebracht. Karl Abraham en Sándor Ferenczi waren de belangrijkste leden. Karl Abraham was naast zijn wetenschappelijke bijdragen ook organisatorisch van groot belang. Onder zijn leiding groeide Berlijn uit tot het centrum van de psychoanalyse.

Abraham als persoon

Bij mijn onderzoek naar Abraham kwam ik tot de merkwaardige ontdekking dat de beschrijvingen van hem niet met elkaar te rijmen waren. Het leek wel alsof het over twee verschillende mensen ging.                                                                                                                                                                            Aan de ene kant werd Abraham beschreven als een volkomen integer, intelligent en innemend man met veel gevoel voor humor. Van heinde en verre kwamen mensen naar Berlijn om door hem opgeleid te worden.                                                                                                                                              Aan de andere kant werd hij beschreven als agressief en ambitieus. Hij zou in de analytische wereld grote conflicten hebben veroorzaakt . Grosskurth schreef in haar boek over het geheime comité zelfs (Grosskurth, 1991, p. 16): ‘How Abraham was intent on destroying Rank and how Rank was almost destroyed.’ (Hoe Abraham er op uit was om Rank te vernietigen en hoe Rank bijna werd vernietigd.) Ze vermeldde er niet bij waar ze het vandaan had. Dat zou ook niet gemakkelijk zijn geweest want in de tot nu toe bekende literatuur over Abraham is niets wat hier op wijst, maar toch is dit een toon die vaker wordt aangeslagen als het over Abraham gaat.

Gaandeweg mijn onderzoek begon ik iets meer te begrijpen van deze tegenstelling. Abraham bleek bij tijden aan zware depressies geleden te hebben, iets dat door zijn familie angstvallig is verzwegen, en hij lijkt in depressieve periodes zijn empathisch vermogen kwijt te zijn geweest. Alsof hij dan geen gevoelsmatig contact meer kon maken met zijn omgeving. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij op zulke momenten een agressieve uitstraling had en ook tactisch niet goed kon opereren.

Abrahams werk

Abraham is vaak beschreven als een kloon van Freud, die zelf geen originele theorie heeft voortgebracht. Dat bleek niet te kloppen. Abraham beschreef zichzelf weliswaar als een volledige aanhanger en volger van Freud, maar dat zeggende ging hij geheel zijn eigen gang en ontwierp een theorie die sterk verschilde van Freud. Hij is zijn werkzame leven vooral bezig geweest met onderzoek naar depressie, dus zijn eigen problematiek was zijn uitgangspunt.

Waarin verschilde Abraham nu precies van Freud?

Ten eerste stond al vanaf het begin voor Abraham de relatie met de moeder centraal. Freud heeft zich niet met de relatie met de moeder bezig gehouden. Bij hem stond de vader centraal.

Ten tweede ging Abraham uit van een sterke aangeboren agressieve drift, die weliswaar in kracht en per persoon verschilde maar die van grote invloed was. Een aangeboren sadisme en behoefte om te vernielen, die zich openbaart zodra de tanden doorkomen. In feite ging Abraham uit van zowel een seksuele als een agressieve drift. Freud daarentegen ging alleen uit van een seksuele drift. Agressie zag hij als een afgeleide daarvan, deze trad op als de seksuele drift gefrustreerd werd. Na de Eerste Wereldoorlog veranderde Freud zijn theorie, kreeg de agressie een grotere plaats en was er sprake van een doodsdrift, maar dan nog gaat het bij Freud in de eerste plaats om agressie tegen de eigen persoon en pas in de tweede plaats over agressie tegen de ander (Freud, 1920g).

Een mooi voorbeeld in de literatuur van Abrahams invalshoek is Lord of the Flies van William Golding. Het verhaal van een groep schooljongens, die na een vliegtuigongeluk op een onbewoond eiland belanden. Ze moeten daar zien te overleven en beginnen met afspraken en structuur. Als die structuur door een aantal van de jongens wordt aangetast komt er een bloedstollende agressie boven, waarbij zelfs een dode valt. Het beeld dat uit het boek oprijst is dat de agressie er gewoon van nature is, maar zo lang er een goede structuur bestaat blijft de agressie onder de oppervlakte. Als de structuur weg valt, gaat het mis.

Ten derde richtte Abraham zich intensief op het ontwikkelen van een psychoanalytische theorie voor de eerste levensjaren. De ambivalente liefde- en haatgevoelens ten opzichte van de moeder spelen daarin een grote rol. Het sterke sadisme dat gaat opspelen, het willen incorporeren, vernielen. Abraham ontwikkelde een theorie over het eerste levensjaar en onderscheidde daarbij een eerste en een tweede orale fase. De eerste zou auto-erotisch zijn en de tweede oraal-kannibalistisch. Freud had in 1915 de pregenitale fasen toegevoegd aan de Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie, waarin sprake is van een orale of kannibaalse fase waarin het seksuele doel de incorporatie van het object is. Hij heeft echter het eerste levensjaar niet verder uitgewerkt, er is geen sprake van vernietigen en ook niet van een sterke agressie tegen de moeder. Hij ging op dat moment nog volledig uit van de seksuele drift als drijfveer.

Ten vierde was het depressiebegrip bij Abraham en Freud totaal verschillend. Voor Abraham is er een sterke samenhang tussen depressie en de orale fasen, de melancholicus die onbewust zijn object wil verslinden en vernietigen. De depressie hangt samen met sterke schuldgevoelens over de agressie jegens het object en de nadruk ligt op de haatgevoelens die het vermogen tot liefhebben verlammen. Depressie kon, zo ontdekte Abraham in zijn behandelingen, ontstaan door een reëel groot liefdesverlies in de kinderjaren, waardoor het kind in een toestand van volkomen verlatenheid terecht komt. Abraham was met deze ideeën zijn tijd ver vooruit.

Freuds depressietheorie heeft een andere invalshoek. Bij hem is ook sprake van een verlies maar het is onduidelijk wat er verloren is. Freud zag bij de depressie dezelfde verschijnselen als bij de rouw: neerslachtigheid, verdwijnen van interesse in de buitenwereld en remming van activiteit. Het lijkt om onbewust objectverlies te gaan, waarbij het verlies van gevoel van eigenwaarde opvallend is. De na het verlies vrijgekomen libido wordt teruggetrokken in het Ik en gebruikt om een identificatie met het verloren object tot stand te brengen. Er ontstaat een tweespalt tussen het Ik en het door identificatie gewijzigde Ik, de zelfverwijten zijn tegen deze laatste gericht. Freud hield zich niet bezig met de gevolgen van en de reactie op een verlies op heel jonge leeftijd.

Interessant is dat zowel Abraham als Freud eenzelfde soort van trauma hebben meegemaakt toen ze rond de twee jaar oud waren. Freuds moeder verloor Julius, Freuds jongere broertje toen Freud bijna twee was en Abrahams moeder viel van de trap toen ze zeven maanden zwanger was van een dochtertje dat ze daarbij verloor. Abrahams moeder raakte in een diepe depressie, Freuds moeder zeer waarschijnlijk ook. Voor Freud en Abraham als tweejarigen moet dat betekend hebben dat ze van het ene moment op het andere het contact met hun moeder kwijt waren, die door haar depressie gevoelsmatig niet meer bereikbaar was. Freud reageerde door het onderwerp ‘moeder’ in zijn theorie grotendeels te vermijden. Abraham reageerde door te proberen een theorie te maken (in feite is hij daar zijn hele werkzame leven mee bezig geweest), waarin de gevolgen van een dergelijke gebeurtenis pasten. De gevolgen voor de kinderen, die dit trauma meemaakten, waren steeds terugkerende periodes van zware depressie, waarbij gevoelens van volkomen verlatenheid optraden.

Abraham werd uiteindelijk in zijn tijd na Freud de meest centrale persoon in de psychoanalytische wereld. Berlijn werd in plaats van Wenen het centrum van de psychoanalyse en Abraham was voorzitter van de Berlijnse psychoanalytische vereniging en van de IPA.                                                                Tot Abrahams zeer vroege dood. Hij stierf op 48-jarige leeftijd aan de gevolgen van het inslikken van een visgraat.

Abraham heeft Melanie Klein sterk beïnvloed. Zij was bij hem in analyse toen hij stierf.

Anna Bentinck van Schoonheten

 

Bentinck van Schoonheten, A. (2013). Karl Abraham, Freuds rots in de branding, een biografie. Antwerpen: Garant.

Freud, S. (1905d, 1915). Three Essays on the Theory of Sexuality. S E, 7, 123-246.

Freud, S. (1920g). Beyond the Pleasure Principle. S E , 18, 1-64.

Golding, W. (1954, 2003). Lord of the flies. London: Penguin books.

Grosskurth, P. (1991). The secret ring: Freud’s inner circle and the politics of psychoanalysis. New York: Addison Wesley.

1 Reactie op “Karl Abraham (1877-1925). Freuds rots in de branding.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Verder op psychoanalytischwoordenboek.nl: