Psychoanalytisch Woordenboek

Depressie

  • Duits: Depression, die
  • Frans: d├ępression

De meest kenmerkende symptomen van depressie zijn het onvermogen plezier te ervaren (anhedonie) en schuldgevoel met zelfverwijten. Men maakt onderscheid tussen de min of meer gezonde depressieve reactie (soms is er reden om verdrietig te zijn!), de depressieve stemming en de depressieve stoornis. Bij een depressieve stoornis is medicatie naast de psychotherapeutische behandeling wenselijk.

Binnen de psychoanalytische theorie werd in de depressie aanvankelijk het onvermogen benadrukt om het verlies van een geliefd persoon te verwerken. Freud (1916-17g) herkende in de melancholie de wijze waarop sommige depressieve personen het verlies van een geliefd persoon ongedaan probeerden te maken door het object en de relatie met het object in zichzelf te continueren. Hij zag in deze primitieve afweer van verlies een regressie naar de vroegste stadia van de psychische ontwikkeling: de incorporatie van de orale fase. Latere bevindingen lieten zien dat alle vormen van verlies tot depressie kunnen leiden. Een laag gevoel van eigenwaarde is een kernaspect van de depressie, maar ook spelen conflicten rondom agressie (naar binnen geslagen, zegt men) en afhankelijkheid een rol. Biologische factoren (erfelijkheid onder andere) zijn bij de ernstige depressieve stoornissen altijd van belang. [WH] Zie manisch-depressief-syndroom

Literatuur

  • Freud, S. (1916-17g) ‘Rouw en melancholie’, Werken 7: 129, 133-148.
  • Luyten, Vanmechelen en Hebbrecht (2011) Depressie – Actuele psychoanalytische benaderingen. Garant, Antwerpen / Apeldoorn.
Verder op psychoanalytischwoordenboek.nl: