Psychoanalytisch Woordenboek

Ik-ideaal

  • Duits: Ichideal
  • Engels: ego-ideal
  • Frans: idéal du moi

De term verschijnt voor het eerst in Freuds narcismestudie (1914c) als benaming voor een ideaal van almacht en volmaaktheid dat het kind zichzelf schept om retroactief de verloren toestand van het primaire narcisme te herstellen. Deze teloorgang vloeit voort uit het ontstaan van een besef van afhankelijkheid van het primaire object en gaat gepaard met belevingen van hulpeloosheid. Het kind schrijft de verloren toestand van volmaakteid nu toe aan de als almachtig ervaren ouders en identificeert zich vervolgens met hun grootheid (imaginaire identificatie), waarmee het Ik-ideaal ontstaat. Het Ik-ideaal wordt vaak opgevat als een rolmodel gebaseerd op geïnternaliseerde (voor)beelden van ouders of andere autoriteitsfiguren. Omdat het echter gaat om het verlangen naar herstel van een (behalve in de manie) onbereikbare en illusoire toestand van volmaaktheid, almacht en onafhankelijkheid ontsnapt het juist aan iedere concrete of realiseerbare invulling. Doordat Freud later (1923b) Ik-ideaal en Superego (Boven-Ik) in vrijwel synonieme zin gebruikt, is verdeeldheid ontstaan over de betekenis van de term Ik-ideaal: sommige auteurs reduceren het tot een functie van het superego, anderen houden vast aan Freuds oorspronkelijke, hierboven gegeven betekenis. [PN]

Literatuur

  • Freud, S. (1914c) ‘Ter introductie van het narcisme’, Werken 6: 326, 329-355.
  • Freud, S. (1923b) ‘Het Ik en het Es’, Werken 8: 371, 380-420.
Verder op psychoanalytischwoordenboek.nl: