Psychoanalytisch Woordenboek

Sublimering/Sublimatie

  • Duits: Sublimierung, die
  • Frans: sublimation

Oorspronkelijk waren het alchemisten en later scheikundigen die het uit het Latijn afkomstige en tot zelfstandig naamwoord omgevormde begrip ‘sublimatie’ gebruikten om de zuivering van een vaste stof naar een damptoestand aan te geven. Tijdens de romantiek ontstaat de koppeling met ‘het sublieme’ en krijgt het woord een esthetische en metafysische betekenis. Freud kiest de term vooral vanwege zijn nietzscheaanse connotatie van esthetische verheffing, zoals wij die in de kunst, de muziek en de literatuur tegenkomen. In het begin kenschetst hij de sublimatie als een verfraaiing van vroege fantasieën. Deze werken als verdedigingsmechanisme en hebben zelfontlasting tot doel. Later zal Freud de sublimatie onder de afweermechanismen rangschikken. De eerste uitgewerkte ideeën over sublimatie vinden we in de ‘Drie verhandelingen over de theorie van de seksualiteit’ (1905d). Drie jaar later omschrijft hij het begrip als volgt: ‘Dit vermogen om het oorspronkelijke seksuele doel te verruilen voor een ander doel, dat niet meer seksueel is, maar psychisch daaraan verwant, noemt men het vermogen tot sublimering’ (Freud, 1908d; 4: 396). Hoewel het begrip “sublimatie” nooit volledig door Freud is getheoretiseerd, komt men het veelvuldig tegen in de geschriften over cultuur en in “toegepaste psychoanalyse”. In zijn latere werk maakt Freud de sublimatie tot pijler van zijn visie op driften en object en doel te scheiden, biedt de mogelijkheid om seksuele driften naar niet-seksuele, maatschappelijk in hoog aanzien staande doelen om te buigen. De bevrediging komt dan niet langer tot stand in de seksuele prestatie zelf, maar door middel van sociaal of ethisch gewaardeerde activiteiten. Freud heeft de sublimatie vanuit verschillende standpunten beschreven. In zijn studie over Leonardo da Vinci (1910c) spreekt hij van een ‘sublimatie van de seksualiteit’. In het ‘Het Ik en het Es’ (1923b) beschrijft hij de ik-energie als gedeseksualiseerde energie die naar niet-seksuele doelen kan worden omgebogen, ‘[…] zodat de in oorsprong seksuele drift in een niet meer seksuele, maar sociaal of ethisch hoger gewaardeerde uiting bevrediging vindt’ (Freud, 1923a; 8: 368). Freud geeft hier aan dat sublimatie verbonden is met de narcistische dimensie van het  ik. In laatste instantie wordt sublimatie in verband gebracht met destructie en doodsdrift”>cultuur. Driften hebben slechts tot doel om bevredigd te worden, maar de cultuur is verworven door het afzien van driftbevrediging. Driften en cultuur worden hiermee voorgesteld als elkaars tegenpolen, waarbij de sublimatie als dualistische kern van de cultuur fungeert. De plasticiteit van driften, hun vermogen om object en doel te scheiden, biedt de mogelijkheid om seksuele driften naar niet-seksuele, maatschappelijk in hoog aanzien staande doelen om te buigen. De bevrediging komt dan niet langer tot stand in de seksuele prestatie zelf, maar door middel van sociaal of ethisch gewaardeerde activiteiten. Freud heeft de sublimatie vanuit verschillende standpunten beschreven. In zijn studie over Leonardo da Vinci (1910c) spreekt hij van een ‘sublimatie van de seksualiteit’. In het ‘Het Ik en het Es’ (1923b) beschrijft hij de ik-energie als gedeseksualiseerde energie die naar niet-seksuele doelen kan worden omgebogen, ‘[…] zodat de in oorsprong seksuele drift in een niet meer seksuele, maar sociaal of ethisch hoger gewaardeerde uiting bevrediging vindt’ (Freud, 1923a; 8: 368). Freud geeft hier aan dat sublimatie verbonden is met de narcistische dimensie van het  ik. In laatste instantie wordt sublimatie in verband gebracht met destructie en doodsdrift.

Bij Lacan, die een grote invloed heeft gehad op het hedendaagse denken over sublimatie, komt de nadruk te liggen op de doodsdrift en ‘het Ding’: ‘Sublimatie verheft een object tot de waardigheid van het Ding.’ In de sublimatie, die Lacan aan zijn theorie van de ethiek koppelt, verliezen de vertrouwde categorieën en kaders hun betekenis in de nabijheid van het Ding, het onkenbare punt waar het verlangen omheen cirkelt. Hierdoor ontstaat een effect van catharsis. Daar waar sublimatie bij Freud met de creatieve krachten van de kunstenaar verbonden was, is het voor Lacan de toeschouwer die door de ontmoeting met het schone aan de menselijke betekeniswereld ontsnapt. [SL]

Literatuur

  • Freud, S. (1905d) ‘Drie verhandelingen over de theorie van de seksualiteit’, Werken 4: 9, 15-116.
  • Freud, S. (1910c) ‘Een jeugdherinnering van Leonardo da Vinci’, Werken 5: 201, 206-275.
  • Freud, S. (1923a) ‘“Psychoanalyse” en “Libidotheorie”’, Werken 8: 347, 349-370.
  • Lacan, J. (1986) Le séminaire, livre VII. Lʼéthique de la psychanalyse. Seuil, Parijs.
  • Freud, S. (1923b) ‘Het Ik en het Es’, Werken 8: 371, 380-420.
  • Vergote, A. (2002) Sublimatie. Een uitweg uit de impasse. SUN, Nijmegen.
Verder op psychoanalytischwoordenboek.nl: